De onvergetelijke glimlach Afdrukken E-mailadres
Buiten spelenHet volgende verhaal speelt zich af aan het begin van de jaren vijftig. Ik was toen 13 jaar en geboren en getogen in de wijk Lombok. Daar had ik het best naar mijn zin, veel buiten spelen op straat en in het bos, maar ook veel knutselen in huis of op straat en ik verveelde mij nooit.

Op een dag was ik bezig met het figuurzagen van een grote autogarage - als jonge jongen maakte je in deze tijd je speelgoed toch altijd zelf - en kwam tot de ontdekking dat ik geen kleine spijkertjes had.
In de buurt was niets te krijgen, je was voor dergelijke dingen altijd aangewezen op de winkel in de stad en dat betekende toch een klein half uurtje lopen. Ik had nog geen fiets maar bezat wel een “luns”, dat was een karretje van hout met daaronder vier kleine wieltjes en een stuk touw als stuur. De wieltjes van mijn luns waren geleidingskatrollen van het spoor, van die wieltjes waarover de draden voor de seinen liepen. Gepikt bij het sein dat op de “rotsblokken” in Mariëndaal stond, er waren er genoeg en een paar zou men zeker niet missen.
Met deze wieltjes kon je de Oranjebult afrijden met een rotsnelheid en door het lawaai dat deze wieltjes maakten op de stoep, konden de mensen je vroeg genoeg horen aankomen.

oude_kranten.gifVan mijn vader kreeg ik elke week 25 cent zakgeld om kauwgum of ouwel te kopen, veel kon ik dus niet doen laat staan iets in een winkel kopen. Om toch aan geld te komen, maakte ik in de buurt fietsen schoon, harkte de tuinen bij en bezorgde ik 's middags na school de krant. Dat leverde elke week wel een knaak of meer op. Maar het meest kon je verdienen met het verzamelen van oude kranten en metalen en deze inleveren bij de “lompenjood”, Van Houtum in de Wezenstraat.
Als ik zo wat verdiend had, kocht ik meestal voor mijn moeder iets lekkers en voor mijn vader een sigaar. Ik moest dus naar de stad en had geen geld in mijn “kontzak”, alleen een grote stapel oude kranten en karton dat onderaan de trap stond. Ik besloot de luns vol te laden en eerst naar de lompenjood te gaan en pas daarna naar de ijzerhandel. Ik kon kiezen tussen de ijzerhandel Lijberse in de Koningstraat of de Provinciale IJzerhandel aan het Willemsplein. Ik koos voor de laatste, want ze waren daar wat vriendelijker en keken je niet meteen de winkel uit. Net of je kwam om iets te “jatten”... jongens van mijn leeftijd deden dat toch altijd ? Je kon rustig rondkijken naar al die kastjes aan de wanden en naar het mooie en moderne gereedschap dat je hoopte ooit eens te kunnen kopen.

Jansplaats Arnhem ca 1900Het was goed weer en dus maar via Onderlangs naar de stad. Alhoewel, over een zandpad lopen met zo’n zwaar beladen karretje viel niet mee. Bij de ijsco-man aan de Oude Kraan ging ik de trappen van de Wolvengang op, het waren er maar een paar, rechtsaf de Vijfzinnenstraat langs de Eusebiuskerk het plein over en via de Korte Hoogstraat naar de Korenmarkt.
Nog even het kleine (voor sommige Arnhemmers een gevaarlijk en griezelig) steegje door, de Jansplaats oversteken en ik was er. Al met al had ik er dit keer meer dan een half uur over gelopen, maar wat wil je ook met al die kranten.

Provinciale IJzerhandel WillemspleinBoekhouderDe “administrateur” van Van Houtum zat achter het loket en schoof het luikje een klein eindje omhoog en daarna ook zijn bril. Hij vroeg zoals altijd met een bijna onhoorbare stem “hoe kom je aan al die spullen, alles eerlijk?”. Je had geleerd om niets te zeggen, alleen maar knikken en wachten tot er een klein briefje onder het loket door werd geschoven.
Je kon dan naar de weegschaal gaan om je vrachtje te laten wegen. Het gewicht van je “partij” werd op het briefje gekrabbeld of het werd tegen je gezegd als het niet al te veel was.
Terug bij “brillemans”, die binnensmond brommend een hoeveelheid centen, stuiver of heitjes (een heitje is een kwartje, 25 cent. Red.) onder het loket doorschoof en…wegwezen.
Als je lood, koper of andere waardevolle metalen had gekregen of had gevonden - in de puinhopen die overgebleven waren van de oorlog kon je soms nog leuke dingen vinden - kon je deze beter door een vóór of achter je staande volwassen man laten inleveren. Sommige deden dat voor niets, anderen vroegen hiervoor wel een kwartje of zo.

Nu op weg naar de winkel, het was niet druk en ik werd meteen geholpen. “Kenk je helpe?”, vroeg de man in de stofjas zonder zich om te draaien. “Ja meneer, een tuutje kleine spiekers voor in het hout”. “Weet je de moat en hoeveul mot je hebbe?”. “’t Is feur triepleks en doet u maor feur ’n kwertje, astjeblief meneer”.
Met toch een flinke hoeveelheid spijkertje voor 25 cent verliet ik de winkel “Dag meneer”. Je moest toch altijd beleefd zijn.

Hotel Riche WillemspleinOp de hoek van het Willemsplein en de Janstraat stond een hotel (hotel Riche), oh wat zou ik graag daar eens binnen willen kijken, alles zo deftig en duur. Voor die hoek waren mensen van de gemeente een groot gat aan het graven, ik zag nog net hun petjes boven de bergen zand uitsteken. Ik was nieuwsgierig, zette de lege luns op een bergje zand en stapte naar de rand van het gat. Daar stonden zeker vier mannen geleund op hun schoppen met elkaar luidruchtig te praten, zeker pauze.
Ik zag een hele dikke muur met daarin bogen van steen die met zand waren gevuld, verder kon er ik niet veel wijs uit worden. Ik had zeker tien minuten zo gestaan, toen een van de mannen vroeg, “En knulleke, kom je me helpe?”. “Nee meneer, maar wat sijn jullie daor aan’t doen?” Natuurlijk, als ik ouder was geweest had ik het antwoord wel kunnen raden. “We graoven ‘n kuul voor jou om in te speulen, ha, ha!”.
Toen ik weg wilde gaan voelde ik een warme hand op mijn schouder en een zachte stem die zei “Laat die kerels toch, ik zal het je wel vertellen”. Het was een oud baasje met een grijze kop, een stoppelbaardje en vrolijke ogen. Hij was zeker ouder dan mijn opa en die was zeker 90 jaar of meer.
Hij pakte de luns en legde deze zo op de berg zand dat we er beiden op konden zitten en hij sloeg zijn arm om mij heen. “Zeg me eerst waar je woont”. “Op lombok, meneer”. “Oh, dan ben je een rasechte Arnhemmer en ben je ook wel bekend met de stad.”
En toen begon hij met zijn verhaal...

Stenen Tafel Monnikenhuizen 19e eeuw“Heel, heel lang geleden, jouw opa en mijn opa waren toen nog niet geboren, woonde daar...” en hij wees met zijn hand in de richting van de Zijpsepoort “...op Monnikenhuizen, weet je waar dat is?”. Natuurlijk wist ik dat, ik zat daar immers op de Buitenschool en kende de buurt goed. “Nou goed dan, daar woonden in een klooster een heleboel monniken die daar de hele dag in de tuinen werkten, liepen te bidden en zich nooit vertoonden aan de andere mensen. Ze waren een beetje vreemd en een beetje mensenschuw. Toch waren het vriendelijke mensen die veel deden voor de armen en zieken. Om te kunnen leven moesten ze soms ook boodschappen doen in de stad en dat deden ze zonder gezien te worden. Hoe deden ze dat?”.
Natuurlijk wist ik daar geen antwoord op en wachtte af totdat de man verder zou gaan met zijn verhaal.
“Goed, deze monniken wilden dus wel eens buiten de kloostermuren en daarom hadden zij, toen het klooster werd gebouwd, besloten om enkele gangen onder de grond aan te leggen. Zo konden ze niet gezien worden. Deze gangen waren ongeveer zo breed...” - hij spreidde zijn armen uit -  “...en zo laag dat je krom moest lopen om je hoofd niet te stoten. De monniken hadden daar geen last van want die liepen toch altijd al iets met hun hoofd voorover gebogen. De hoofdgang begon in een van de kelders onder het kloostergebouw en was afgesloten met een geheime deur. De hoofdgang was breed en hoog en liep de eerste honderden meters richting het latere Sonsbeek park. Daar was ergens een splitsing gemaakt, de gang rechts was veel kleiner van afmeting en liep met een grote boog onder Heijenoord door, naar het landgoed Mariëndaal”. Ik knikte goedkeurend, want dat bos kende ik op mijn duimpje, ik speelde er bijna dagelijks en zei: “Ja dat ken ik, daar staat ook een groot oud huis vlak bij de tunnel onder het spoor”. “Mooi zo, ik zei toch al dat jij een rasechte Arnhemmer bent” sprak hij glimlachend en vervolgde zijn verhaal.

Gangenstelsel“Deze gang was een aantal kilometers lang en eindigde in het bos op de helling van een heuvel en had daar een afgesloten uitgang die voor het oog goed verscholen was. Zo konden de monniken daar in het bos gaan wandelen of, als ze wilden, naar het andere klooster Mariënborn gaan, het klooster dat vroeger stond op de plaats van het huis dat jij bedoelt”.
Onmiddellijk wist ik welke heuvel hij bedoelde en waar de ingang moest zijn geweest. Als je langs de beek door Klein Zwitserland liep was aan de rechterkant een heuvel met een aantal wandelpaden en daar lag een beetje verscholen een afgesloten ruimte in de berg. Er was mij ooit al eens verteld dat deze ruimte toegang gaf tot een onderaardse gang die helemaal naar Monnikenhuizen zou lopen. Tot zover was het verhaal dus niet nieuw voor me. Ook was ik wel eens met mijn vriend Theo in deze ruimte geweest, er stonden alleen een paar kruiwagens en wat tuingereedschap, verder kon je niet veel zien. Als je lucifers aanstak zag je in de schemer in de verte wel een soort nis, we durfden daar nooit heen te gaan, bang als we waren dat de deur zou dichtvallen of misschien nog ergere dingen zouden gebeuren. Alleen al bij de gedachte daaraan kreeg ik het warm en volgens mij had ik van spanning een rood hoofd gekregen.

Na een korte trek aan zijn pas opgestoken sigaar ging de oude man verder.
“De tweede gang liep met een flauwe bocht rechtdoor, om na een paar honderd meter sterk naar links af te buigen en uiteindelijk kwam de gang hier”. Hij wees met zijn sigaar naar het einde van de kuil waar de gemeentewerkers aan het graven waren. Hier had vroeger de St. Janspoort gestaan. “Vanaf dit punt liep nog een klein gangetje schuin onder het begin van de Jansstraat. Bij de sigarenboer daar op de hoek boog de gang af en liep verder onder de Janslangstraat naar de kelders van de Commanderie en St. Janskerk op het plein. En ik heb ook wel eens gehoord dat de gang nog verder liep tot zelfs onder Mariënburg, maar of dat waar is weet ik niet”.
Om het mij goed duidelijk te maken, nam hij een stokje, veegde een stuk zand vlak en begon te tekenen. Eerst de St. Janskerk met het kerkhof er achter en dan de muren om de Commanderie. Mijn ontzag voor deze oude baas groeide met de minuut, hij wist ook alles!.
“Ja, zo konden de monniken ongezien binnen de muren van de stad komen, om in een van de vele kroegjes een lekker glas wijn of bier te drinken”.

Het verhaal had een hele tijd geduurd en inmiddels was de koffiepauze van de arbeiders ook afgelopen. De fantastische verteller maakte ook aanstalte om op te staan, om zijn wandeling voort te zetten. “Nou knul, ik ga er maar weer eens vandoor, bedankt dat je naar mij hebt geluisterd en vergeet mijn verhaal niet!”, voegde hij er met een brede glimlach aan toe. Schuifelend ging hij richting Jansstraat naar de kroeg op de hoek van de steeg, keek nog éénmaal om en zwaaide naar me. De hele weg terug naar huis moest ik aan het verhaal denken, wat moet dat mooi geweest zijn in zo’n klooster.

Eenmaal thuis gekomen wilde ik het verhaal meteen aan mijn moeder vertellen, maar zij zei dat ik dat beter kon doen na het eten, aan tafel. In geuren en kleuren en met horten en stoten vertelde ik mijn avontuur en iedereen aan tafel luisterde. Toen het verhaal was afgelopen keek mijn vader mij aan, zijn ogen glinsterden en op zijn gezicht verscheen een zelfde glimlach als eerder die dag op het gezicht van de oude man was verschenen.

 
 

Lombokse Plaatjes

Bestrijd spam klik hier

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen functioneren en om je bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Om je te kunnen aanmelden zijn een tweetal cookies nu al geplaatst; deze bevatten geen persoonlijke informatie. Als je doorgaat met je bezoek aan deze site, kunnen er andere cookies geplaatst worden. Om cookies te verwijderen en uit te schakelen, zie de handleiding van je browser. Voor meer informatie over de cookies die we gebruiken en over hoe wij met persoonsgegevens omgaan, lees onze Privacyverklaring.

Verwijder deze mededeling door cookies van deze site te accepteren.