Spelen op Lombok - 1 Afdrukken E-mailadres

Spel en vertier op Lombok in de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw.

Zoals in elke volksbuurt of wijk, vormde rond de periode van de tweede wereldoorlog de straat een beeldbepalend onderdeel van de samenleving. Hier speelde het sociale contact tussen de buurtgenoten en hun kinderen zich in hoofdzaak af. Oudere buurtgenoten troffen elkaar aan huis, in de buurtwinkel of op straat en wisselde daar de broodnodige nieuwtjes en roddeltjes uit. Communicatiemiddelen, zoals telefoon waren niet of nauwelijks voorhanden en men moest het dus hebben van persoonlijk contact en "klessebessen".

Zo was dat ook op Lombok, een wijk die een breed scala aan bewoners herbergde: jong naast oud, arm naast de meer welgestelde, ongeacht geloof of opleiding. Niet dat alles even gladjes verliep, nee er was best wel een zekere mate van jaloezie tussen buurtgenoten, maar als het er op aan kwam dan stond men garant voor de ander. Men wist veel van elkaar en daar zorgde natuurlijk de plaatselijke tam-tam ook wel voor.
De kinderen trokken zich van dat alles niets aan en vormden kleine groepjes om samen te spelen. Een beeld van het spelen op straat wil ik schetsen, vanuit mijn herinnering als rasecht Lombokkertje.

De straat als speelveld en de buurtgenoot als toeschouwer.

Spelen op straat - Deze foto is niet in Lombok gemaakt.In die tijd had de straatjeugd, naast hun vriendjes en vriendinnetjes, ook te maken met de overige bewoners van de wijk: de ouders, de buren, de andere volwassenen. Zij waren de toeschouwers van het kinderlijk plezier, van hun geschreeuw, van hun lach en hun tranen.
Zo wist je als kind al snel welke ouderen gezellige buurtbewoners waren en veel toelieten van de spelende kinderen. Dit waren veelal oudere mensen, die al lang in de buurt woonden en het wel en wee van de meeste kinderen goed kenden. Zijn werden dan ook met respect door de kinderen behandeld en waren daardoor slechts zelden het slachtoffer van de soms "baldadige jeugd".
Veel Lombokkers waren echter "onzichtbaar", je hoorde of zag ze nooit. Je kende ze nauwelijks en daar wist je als kwajongen niet zo goed mee om te gaan. Ze af en toe plagen was best wel leuk.
Ja en ook waren er mensen bij, je weet wel van die "zeurpieten". Zij waren vervelend, vaak boos of chagrijnig en altijd maar klagen over lawaai, schreeuwen, voetballen of het hangen in een portiek of op de stoep. Kortom alles wat jij leuk vond viel bij hun in slechte aarde.
Zij waren het dan ook die voor ons het doelwit vormden. Zij waren bijna altijd de klos bij de grappen, grollen en pesterijtjes.
Een persoon op Lombok had al deze eigenschappen in zich, dat was de politieagent, de "juut". Maar als baldadige jongen kon je hem niet missen, want was hij er niet, dan was het niet spannend meer voor jou. Nee, de juut hoorde erbij.

Maar genoeg over deze Lombokkers, nu zijn de Lombokkertjes aan de beurt en hiervoor pak ik de draad op in het begin van de jaren veertig van de vorige eeuw.

Samen spelen.

Voor de tijd voorafgaande aan de jaren veertig is mijn kennis ontoereikend. Ik was tijdens de vele "sleurkilometers" (afstand die mijn kinderwagen aflegde) niet in staat belangrijke dingen in mij op te nemen. Hooguit zou ik alles kunnen vertellen over de kap van de kinderwagen, de mooie blauwe lucht en de vele gezicht die spontaan naar mij toekwamen. Wat hebben ze tegen mij gelachen. Het van hot naar her slepen werd voornamelijk gedaan door mijn oudere zusje, waarvoor ik haar uiteraard vanaf deze plaats alsnog wil bedanken. Later heb ik de wielen van mijn voertuig nog kunnen gebruiken bij de bouw van een eigen vervoermiddel, een luns, maar daarover een andere keer.
Het gezamenlijk spelen op straat was natuurlijk afhankelijk van het jaargetijde, de weersgesteldheid, je vrije tijd en de plek om te spelen. Ik begin met het laatste.

Nassauplein LombokDe plaatsen waar de kinderen op Lombok naar hartelust konden spelen, waren beperkt tot het Nassauplein met de omliggende straten, de openbare speeltuin "West Arnhem" met bijbehorende houten opstal, de Oranjestraat, de Alexanderstraat en de Wilhelminastraat bij de bajes. Op deze plaatsen was het fijn spelen, want er was weinig of geen gemotoriseerd verkeer in die tijd.
Bij mijn weten hadden alleen Appie Zandbergen (zoon van de kapper in de Alexanderstraat) en later Henk Hofhuis (wegenwachter, wonend in de Oranjestraat) een motorfiets.
Alleen de fietsers en steppen waren de baas op straat. Verder stonden op het Nassauplein en in genoemde straten aan weerszijde van de weg een rijtje bomen. De stoepen waren breed genoeg om veilig op te spelen en er was in heel Lombok geen enkel stukje "blik" in de straat te zien. Alleen een paar rijke zakenmensen had een automobiel en een ander had een paard en wagen of een handkar.
De tijd die je kon spelen was beperkt: van einde schooltijd tot aan het (warme) eten en de tijd daarna, tot rond een uur of acht. Was je al groter, dan mocht je later thuiskomen, zo rond tien uur, maar dan had je minstens al dikke verkering of liep je achter een van de grieten aan met het doel om in de duisternis te vrijen.
Op de zaterdagochtend zat je nog tot 12 uur op school en dan bleef alleen de zaterdagmiddag en de zondag over. Maar de meesten moesten op die dag ook nog naar de kerk of mochten zelfs zondags niet op straat spelen (geloofoverwegingen). Al deze vrije tijd moest je verdelen tussen boodschappen doen, soms wat huis of strafwerk maken en natuurlijk spelen. Dat viel niet mee.
De weersomstandigheden kon je niet beïnvloeden en je moest die maar nemen zoals het kwam.

Elk jaargetijde bracht zijn eigen typische spelletjes met zich mee, zoals zwemmen, schaatsen, sleetje rijden, appeltjes jatten enzovoorts.
In de kleuterjaren was je aangewezen op het spelen met een bal, met je oudere broer of zus (als je die tenminste had) en bij deze "bewakers/verzorgers" ging dat natuurlijk al snel vervelen. Zij wilden ook graag spelen en daarom werd je altijd gedumpt bij je lotgenoten of werd je zelfs weer thuis afgeleverd.
Als je bofte, dan mocht je toekijken hoe zij speelden, soms een bal ophalen en verder ongestraft in je broek plassen. Een niet zo interessante bezigheid en tijdverdrijf. Nee, tijd voor jezelf om te spelen was er niet bij en ik herinner me dan ook niets anders dan de lange wandelingen door Mariëndaal of een "reisje" langs de Rijn: Onderlangs heen en Bovenover terug. Het was afwachten en je tijd uitzitten.
Was je goed ter been en had je geluk, dan mocht je na een of twee jaartjes wel meedoen met de grotere kinderen: je was dan piempje af.

Ik herinner me de eerste spelletjes die ik mee mocht doen, trouwens ik had ze al zo vaak gezien en gehoord. Wat te denken van Schipper mag ik over varen…… of Een, twee, drie, koekoek, waarbij het er om ging om van de ene stoep van de straat naar de andere stoep te komen, al of niet met een handicap. Uiteraard had je als nieuwkomertje geen schijn van kans om als eerste de overkant te bereiken, maar je mocht meedoen en dat was al een hele vooruitgang, je hoorde er eindelijk bij. Dit spel was altijd goed voor een grote groep kinderen en kon op elke plek fijn gespeeld worden. Vals spelen, bijvoorbeeld door een ander eventjes te duwen, hoorde er bij.

Natuurlijk had je op de kleuterschool een heleboel andere spelletjes en liedjes geleerd, zodat je bijna altijd wel met iets mee kon doen. Rijmpjes opzeggen en liedjes zingen was ook een bezigheid die lang kon worden volgehouden. Had je geen zin meer, dan kon je nog altijd gaan knikkeren op het zand tussen de bomen in de Oranjestraat.
Nu waren er bepaalde huisdieren die de pret verstoorden door een forse "indruk" op deze speelplek achter te laten. Ik had zelf ook een hond, Pitty, een reuze lieve kleine hond van een ons onbekend makelij. Nee, zij deed dat nooit en ze had geleerd netjes alles in de goot te doen, wat uiteraard niet altijd even goed lukte. Maar vertel een speelse hond nu maar eens dat je wilt knikkeren.

KnikkersGoed, een kuiltje (de pot) was snel met de hak van je nieuwe schoen in het zand gedraaid, een streep op afstand, eventjes aftellen wie er mocht beginnen….Iet wiet waait weg. Dit is het kortste aftelrijmpje dat ik ken. Op de Amsterdamse weg stond een rijtje bomen…...Ja iedereen kende wel een ander rijmpje, net zo als met de liedjes.
Bij het aloude knikkeren ontstonden altijd twee kampen: de grotere kinderen die rijk waren en met glazen knikkers of met stoeren stalen kogels speelden en de nieuwkomertjes die zich eerst moesten behelpen met zelf gedraaide "kleiers". Deze knikkers werden met de hand gedraaid van de vette stinkende klei uit de uiterwaarden van de Rijn. Een of twee dagen laten drogen en als je echt geduld had, gaf je ze ook nog een kleurtje. Als je veel geluk had, kon je dan tien kleiers ruilen tegen één glazen knikker. Dat was dan wel niet zo'n mooie, met een rode of gele vlam in het midden, maar nu kon je tenminste meespelen en proberen winst te maken.
Vaak kwam van het onderling ruilen huilen, ja zelfs dit eenvoudige kinderspel werd hard gespeeld. Je kon dan hooguit je verdriet verzachten door de knikker van die ander weg te spelen of zelfs te beschadigen door hard te gooien, het zogenaamde stuuken (afgeleid van kapotmaken) of dutsen.
Inmiddels had mijn moeder een heuse knikkerbuil voor me gemaakt. Zo'n eentje die je met een touwtje om je nek kon hangen, tegen het gappen of jatten.

Over jatten gesproken...
De gebruikelijke benaming voor het meenemen van dingen die niet jouw eigendom waren was jatten. Was de waarde niet al te groot, dan spraken we van gappen, bijvoorbeeld eenvoudige knikkers, snoep, appels en dat soort dingen. Als iets van grotere waarde, bijvoorbeeld cigaretten of geld, werd meegenomen zonder dat de eigenaar het in de gaten had, dan zeiden we vaak "dat hebben we gepikt" of weggekaapt/gebietst /geratst.
Iets achterover drukken deed je alleen als je niet alles terug gaf wat je geleend had. Als je gesnapt werd, dan liep je grote kans om een draai om je oren of een flink pak slaag te krijgen. In het ergste geval kreeg je een juut of kraai op je dak. Deze laatste benaming is vermoedelijk ontstaan naar aanleiding van het geluid van een kraai. Dat geluid maakte je als sein voor je vriendjes dat er een agent in aantocht was. Zo wist iedereen dat je goed moest uitkijken.

Nog even terug naar de knikkers...
Het kwijtraken van knikkers door het spel of door gappen was aanleiding om 's avonds thuis nog eens eventjes alles na te tellen en te kijken wat je winst of verlies was van die dag. Dan was het "Jantje-lacht" of "Jantje-huilt". Soms paste je moeder het verlies van die dag bij, door stiekem wat knikkers in je builtje te doen.
Uiteindelijk blijkt na jaren, dat je van al dat moois nooit iets hebt overgehouden, want wie heeft nog knikkers nog uit zijn knikkertijd?
Het merkwaardige is dat je als speler altijd wist welke knikkers van jou waren. Het was net als met postzegels, die wist je ook uit elkaar te houden. Zelf heb ik mijn kleiers heel lang bewaard en ze uiteindelijk later gebruikt bij het schieten met een katapult.
Een andere merkwaardigheid bij dit spel was, dat iedereen ineens begin te knikkeren, zonder dat iemand dit vooraf aangaf. Knikkertijd is nooit officeel vastgelegd en dat geldt in feite voor bijna alle andere kinderspelen.

Vliegende HollanderHad je meer zin om alleen of met een vriendje te spelen, dan nam je de driewieler, de step of de vliegende Hollander. Een kar met vier wielen die je met een hefboom kon voortbewegen. Zelf heb ik daar maar één keer in gezeten, er waren er niet zoveel en de grote Oranjebult op kon je met dat ding wel vergeten.
Als je de kans kreeg, sprong je bij een van de oudere jongens achter op hun kar (luns) om mee de bult af te sjeezen. Als beloning moest je wel de bezitter van dit "luxe" vervoersmiddel altijd duwen, zelfs bult op. "Wacht maar", dacht ik dan altijd "eerdaags heb ik er zelf een".

De meiden uit de buurt deden het rustiger aan en zaten soms dagen lang te punniken of te klosjebreien. Meters koord kwam uit een kleine ronde stukje hout met een gat er in en spijkers boven op de kop van het hout. Draadje om de spijkers, draad overhalen, overhalen en nog eens overhalen en dan weer opnieuw beginnen. Het was om gek van te worden, alhoewel…… het was best wel een leuke bezigheid zo met z'n allen op de stoep breien en zingen. Maar toch, het bleef een meidenspelletje.

SpringtouwOok hielden de meiden zich uren lang bezig met touwtjespringen. Alleen, met z'n tweeën of in groepjes. Dat springen was voor eventjes wel leuk, maar je werd er zo moe van. "In spin, de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit" en dan maar hopen dat je op tijd je voeten van de grond kreeg.
Als jongen was je altijd de klos, na een of twee keer springen viel je af en moest je achter in de rij aansluiten of het draaien overnemen. Je stond in de rij dan ook meer de meisjes te plagen dan te springen.
Bij het springen met twee touwen tegelijk moest je echt oppassen om geen van de touwen in je nek te krijgen of dat je onderuit getrokken werd. Vals waren die meiden als een jongen moest springen! Dan trokken ze plotseling het touw tussen je benen strak en auw!! "Nou wacht maar onze tijd zal nog wel komen".
Rijk waren de variaties die zij wisten te springen, al of niet voorzien van vreemde bokkesprongen, gebaren en liedjes. Er werd wat afgezongen op Lombok en ik herinner me nog de liedjes zoals: "Ik stond laatst voor een poppekraam", "Wij zijn arme marionse", "Ik zou zo graag een ketting breien", "Witte zwanen zwarte zwanen" en nog veel meer.

 
 

Lombokse Plaatjes

Bestrijd spam klik hier

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen functioneren en om je bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Om je te kunnen aanmelden zijn een tweetal cookies nu al geplaatst; deze bevatten geen persoonlijke informatie. Als je doorgaat met je bezoek aan deze site, kunnen er andere cookies geplaatst worden. Om cookies te verwijderen en uit te schakelen, zie de handleiding van je browser. Voor meer informatie over de cookies die we gebruiken en over hoe wij met persoonsgegevens omgaan, lees onze Privacyverklaring.

Verwijder deze mededeling door cookies van deze site te accepteren.