Spelen op Lombok - 2 Afdrukken E-mailadres

BokspringenJa, er werden rare bokkesprongen gemaakt op Lombok. Er waren veel spelletjes waarbij je krom moest gaan staan (je was dan de bok) en dan sprong de ander over je heen. Je kon op twee manieren springen: gewoon of met een kleine schop tegen je kont.

Een hele rij vormen, overspringen vóór aansluiten en de achterste in de rij moest dan springen. Een leuke variatie was het bokspringspel "Bok-bok, hoeveel hoorns heb ik". Er werd dan geloot, bijvoorbeeld met een aftelrijmpje. De overblijver ging met gezicht krom staan tegen de muur. De volgende sprong op zijn of haar rug en stak een aantal vingers tegen zijn hoofd - dat waren de horens - en vroeg "Bok-bok hoeveel hoorns heb ik?". De bok moest dan raden. Raadde hij goed, dan nam de springer de plaats van de bok in en het spel begon opnieuw. Raadde hij fout, dan ging de "hoorndrager" gebukt achter hem staan, hield met beide handen zijn benen vast en stak het hoofd tussen de benen van de bok om zo de bok te verlengen.
De volgende sprong vervolgens op de kromstaande spelers en probeerde dan met kleine sprongetjes de bok te bereiken. Dan weer de vraag "Bok-bok hoeveel hoorns heb ik?" enzovoorts.
Bij een beetje pech moest je heel lang krom staan en kon de rij wel erg lang worden, maar des te leuker was het spel. Vooral als de rij wat ging slingeren of een van de kwajongens een windje liet. Dan viel de slinger lachend op de grond, ocharme degene die ter plaatse gebukt stond.

Ik zie ik zie wat jij niet ziet...Het kon dus gemakkelijk gebeuren dat de ene groep, bijvoorbeeld de wat oudere kinderen, het ene spelletje deed en de jongeren spelletjes deden zoals "Beroepen raden" of "Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet".
Soms zag je oudere Lombokkers lachend aan de kant staan kijken naar de verrichtingen van hun kroost. Vaak gingen deze spelletjes met veel geschreeuw en geroep gepaard en dat kon zo samen best een hoop lawaai opleveren.
Daar was niet iedereen van gediend en af en toen werd een raam opengeschoven, of kwam een boze buur naar buiten en maande ons dan tot rust en vroeg "beleefd" om snel op te hoepelen. Dan werd het spel een paar meter verplaatst, maar één ding was zeker: wij kinderen vergaten niet zo snel en dan kon de klager wel eens rekenen op een gerichte plagerij. Daar waren we best goed in (zie later).

Ook kleintjes worden groter en komen dan op een leeftijd waarbij er een kleine afscheiding gaat plaatsvinden in spelletjes, dat wil zeggen spelletjes die alleen door jongens of alleen door meisjes worden gespeeld.
De meisjes hielden zich ledig met hinkelen, tollen en diaboleren. Deze spelletjes zijn genoegzaam bekend en werden toen ook al in allerlei variaties gespeeld; ze waren zeker het aankijken waard. Door veel oefenen probeerde je de beste te worden en soms lukte dat ook.

In die periode begon je als jongen al iets meer te kijken naar de speelsters in hun korte rokjes met blote benen gestoken in sokjes en fraaie open schoentjes. En niet te vergeten de vlechten, al of niet met strik.

Ouderwetse hoepel - Bron: www.geschiedenisschellinkhout.nlNee jongens, laten wij ons maar bezighouden met wat stoerdere bezigheden. Hoepelen dat was wat voor ons, hard rennen achter een oude velg van een fiets en deze maar steeds met een stok voortslaan. Ja, de bult af ging vaak wel eens te snel en dan moest je de hoepel opvissen op de Utrechtseweg of uit een van de tuinen.
Mooier en fijner was een hoepel die van een stevige stalen draad gemaakt was. Die werd voort bewogen door middel van een kort stalen stangetje dat met een oog om de hoepel zat. Dit was dus meer een kwestie van duwen en je kon de hoepel niet zo snel verliezen.
De smid Gorter op Wilhelminastraat wilde wel zo'n ding voor je maken, maar dat kon je natuurlijk niet betalen. Er zat dan niets anders op om op de zaterdag in de namiddag te helpen zijn smederij en het plaatsje op te ruimen. Dat was best leuk want de smid was een aardige vent en had aardige kinderen waarmee wij speelden.

Een ander spel, dat uitsluitend door de jongens werd gespeeld was landkapertje of landje-pik. Je kon dat het best spelen met twee of drie vriendjes, in het zand bij de bomen op de Oranjestraat of in de Alexanderstraat. Je had nodig: een langwerpig puntig mes, zakmes of machinezaag met punt (na de oorlog een bajonet of dolk) en een stukje zandgrond van minimaal één bij één meter.
Teken een vierkant in het zand en verdeel dit in evenveel stukken als dat er deelnemers zijn. Met lucifers wordt geloot wie het eerst mag beginnen. Ga dan met minstens één voet, of op je tenen (bij kleiner wordend stuk land) in je eigen stuk land staan. Werp het mes in andermans gebied en trek op die plaats met het mes een lijn in de richting van het vlak van het mes, van buitenlijn naar buitenlijn. Het stuk grond dat hierdoor grenst aan het eigen gebied mag vervolgens tot het eigen gebied gerekend worden; de grenslijn wordt dan uitgeveegd.
Nu is de tegenstander aan de beurt om een stukje grond te ver(her)overen.
Kan het grondgebied na enige kapingen niet meer met de voet of staand op de tenen van één voet betreden worden zonder de lijnen aan te raken, dan heeft de tegenpartij gewonnen.

Een nòg stoerder spel, dat je altijd maar eventjes kon spelen en dan nog alleen voor de liefhebbers met stevige handen, was meppen. Iemand wordt geloot en geblindoekt. Het slachtoffer plaatst nu de linkerhand in zijn rechter oksel met de binnenkant van de hand naar buiten gekeerd. Om hem heen een halve kring met medespelers. Een van hen stapt voorzichtig naar voren, gaat achter het slachtoffer staan en slaat krachtig doch niet te hard met de vlakke hand tegen zijn hand en gaat terug in de kring. Hij moet nu raden wie geslagen heeft. Als het goed geraden is, wordt zijn beurt overgenomen. Zoniet, dan mag de volgende slaan. Dat na afloop je handen goed konden tintelen zal duidelijk zijn en soms kon het spel letterlijk en figuurlijk uit de hand lopen.

Nee dan boompje verwisselen in de Alexanderstraat, dat was niet zo pijnlijk en daarbij konden ook de meisjes weer mee doen. Hierbij moest je wel snel zijn en inzicht hebben bij het veroveren van een vrije boom. Elke keer als je gezellig en fijn aan het spelen was vloog de tijd en kon je kreten horen van "Thuus komme t'is acht uur" en daar had je je maar aan te houden, want anders zwaaide er wat, althans bij mij thuis...

Mocht je wat langer buiten blijven, vooral met lekker weer, dan was er voldoende tijd om met een groot aantal kinderen een van de twee spellen te spelen over een wat meer uitgestrekt speelterrein. Ploeg uut. Een spel voor een groep van 6 tot circa 15 kinderen.
Het aantal deelnemers wordt in twee groepen verdeeld. Groep A trekt zich terug op een plaats waar ze de omgeving niet meer kunnen zien. Ploeg B verstopt zich in een vooraf afgesproken deel van de buurt, bijvoorbeeld tussen vier aangegeven straten. Als ploeg B zich verstopt heeft roep de gekozen aanvoerder zodanig hard, dat ploeg A dit kan horen "Ploeg uut", oftewel het teken dat ploeg A kan gaan zoeken.
Telkens als iemand wordt gevonden of wordt gezien, wordt door ploeg A hard "Ploeg uut" geroepen. Zo kunnen de andere zoekenden horen hoeveel kinderen uit ploeg B zijn"gevangen". Zijn alle deelnemers gevonden, dan wordt ploeg B de zoekende ploeg, enzovoorts.
De enige regel bij het verstoppen is, dat men zich niet in een huis of schuur mag verstoppen. De verstopper mag zich natuurlijk ook verplaatsen tijdens het zoeken, hierdoor wordt wel de vangkans vergroot.

Buskloppertje. Dit is een variant op bovenstaand spel. Door loting wordt één persoon als zoeker aangewezen en zal hij of zij de overige deelnemers moet opsporen.
De plaats van verstoppen dient wel kleiner te zijn. Op een vooraf vastgestelde plaats wordt een leeg conserveblik geplaatst, bijvoorbeeld op een putdeksel of op een kruising van straten. In het begin staat daar ook de zoeker met zijn handen voor zijn ogen. Die telt tot vijftig of tot honderd, afhankelijk van de grootte van het verstopterrein.
Na het aftellen gaat de zoeker op zoek naar de verstopte deelnemers en verplaatst zich hierbij steeds verder van de bus. Ziet hij een verstopte, dan rent hij naar de bus een klopt hiermede driemaal op de grond onder het uitroepen van de naam van de gevonden deelnemer.
Tijdens het zoeken mag door een van de andere deelnemers (die nog niet is gevangen) de bus worden weggeschopt en hij wordt dan beschouwd als winnaar en behoeft zich niet meer verstopt te houden. Wel loopt hij hierbij het risico door de zoeker te worden gezien en afgeklopt te worden. De eerste die wordt afgeklopt is bij het volgende spel de zoeker.

Beide spellen werd door de wat oudere jeugd wel eens aangegrepen om er lekker tussen uit te knijpen met een van de aardige meisjes uit de buurt. Ik zelf zorgde er altijd voor dat ik in de buurt was van Ansje, een lieve aardige blondine. Maar zoals altijd speelde het op tijd thuis zijn een belangrijke rol, je had weinig vrijheid en de controle was relatief gezien ook veel te groot.

Gedurende het laatste jaar van de oorlog, waarin de evacuatie viel was het wat minder druk en gezellig in de buurt. Mijn ouders hielden het gezin kort en zeker in de avonduren mochten we nog maar sporadisch naar buiten. Het aantal moffen in de buurt nam geleidelijk toe, de dreiging was voelbaar. Na deze ellendige periode duurde het relatief lang alvorens de sfeer van weleer terug was. Ook leek het of je zelf en je vriendjes en vriendinnetjes ouder en wijzer waren geworden. Een aantal kinderen keerden zelfs niet meer terug of waren uit het zicht verdwenen.

Nog enkele spellen ter herinnering: "Er kan nog meer bij", "Zoentje raden", "Tikkertje", "Fopbal", "Een, twee, drie wie heeft die bal", "Ik zie ik zie wat jij niet ziet", "Bliklopen".

Anekdote
Het was in de zomer van 1947 of 1948 dat ik met een aantal vriendjes in de Alexanderstraat voor het hek van de School met de Bijbel aan het voetballen was: drie tegen drie met vliegende kiep. De doelen werden gevormd door een lantaarnpaal, de muur van het gymnastieklokaal en een huizenrij. Het was verboden om op straat te voetballen, maar daar trokken we ons niet veel van aan. De kans dat er een juut (politieagent Red.) langs kwam was klein en wij waren toch sneller. Midden in het spel werden we gestoord door een man op een fiets. Hij zette zijn fiets met een pedaal op de rand van de stoep, hij stroopte zijn broekspijpen iets op en hing zijn jasje aan de spijlen van het hek van de school. Toen ging hij in het doel staan en wij mochten beurtelings op hem schieten. Dat deden we dan ook, naar hartelust, maar hoe hard of hoe dichtbij wij ook schoten, deze kanjer wist ALLE ballen te stoppen. Het zweet stond ons dik op het voorhoofd en hij maar lachen en aanwijzingen geven.
Frans de Munck alias De Zwarte PanterEen tweede man, ook op een fiets, kwam aangereden, stopte en zette zijn fiets op de standaard. Verdomme, dat was een Juut en wij wilden vlug wegrennen.
De agent keek kwasi boos en begon te preken; hij wilde onze namen opschrijven. De man in ons doel liep op de agent af en fluisterde hem wat in het oor, waarop de agent zijn boekje weg deed, de afgenomen bal aan ons terug gaf met de woorden "Jullie weten toch dat je hier niet mag voelballen als er een Juut in de buurt is".
Lachend stapte hij op zijn dienstfiets en peddelde de straat uit. Wij waren verbijsterd en staarden naar de man; zijn naam was FRANS DE MUNCK, keeper van Vitesse.

 
 

Lombokse Plaatjes

Bestrijd spam klik hier

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen functioneren en om je bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Om je te kunnen aanmelden zijn een tweetal cookies nu al geplaatst; deze bevatten geen persoonlijke informatie. Als je doorgaat met je bezoek aan deze site, kunnen er andere cookies geplaatst worden. Om cookies te verwijderen en uit te schakelen, zie de handleiding van je browser. Voor meer informatie over de cookies die we gebruiken en over hoe wij met persoonsgegevens omgaan, lees onze Privacyverklaring.

Verwijder deze mededeling door cookies van deze site te accepteren.