Spelen op Lombok - 4 Afdrukken E-mailadres

In de voorgaande verhalen over spelen op Lombok kwam in hoofdzaak het spel in groepsverband ter sprake. Je had je vaste vriendjes en vriendinnetjes waar je mee optrok en natuurlijk de buurt onveilig maakte. Maar alles voltrok zich in het zicht van het ouderlijk huis en om te laten zien dat je onschuldig was, poseerde je in je beste pakkie eventjes voor de fotograaf.

Lombok AlexanderstraatIn die tijd was het slechts enkelen gegeven om een plaatje te schieten. Ik had toen zelf nog geen toestel, dat zou pas jaren later worden aangeschaft. Viel er niets te beleven, dan trok je al snel naar het braakliggende terrein naast het Blindeninstituut op de Utrechtseweg. In de restanten van wat eens een mooie villa was kon je heerlijk ravotten, hutten bouwen en in de grote kastanjebomen klimmen. Hier was je buiten het directe toezicht van iedereen.

Foto:
Alexanderstraat voor het GEB-huisje (ca. 1947).
S
taand Bennie en Jopie, gehurkt Bertie en Wimke.

Het huis "De Haspel" was genoemd naar de in vroegere tijden aanwezige haspel op de hoek van Onderlangs en Bovenover. De tuin liep schuin naar het Jaagpad langs de Rijn en was via een doorgang in een grote stenen scheidingsmuur te bereiken. Het was dus voor ons de weg naar het water, ofschoon we van onze ouders niet in de Rijn mochten zwemmen of pootjebaden, ook niet tussen de kribben bij de woonboten.
De Haspel anno 2008.Een andere weg om onze speelplek te bereiken, was achterom langs het Rijnhotel, maar al dat geloop vond het personeel niet zo fijn. En toch maar doen...
Halverwege de tuin was een diepe waterput, voor opvang van regenwater. Naar mijn schatting was deze zeker 5 meter diep. Je kon je er fijn laten inzakken langs een dik stuk touw. Het probleem was echter dat je moest zien voorkomen dat je "fijne" vriendjes niet het touw in de put lieten vallen of het snel ophaalden. In dat geval het je domweg pech. Je moest dan maar geduldig afwachten. Bijna altijd was mijn hond Pitty bij me en die was wel te vertrouwen; hij kon nog altijd hulp halen.

MondharmonicaIn de zomer kon je in de twee aanwezige grote kastanje bomen fijn klimmen en - liggend op een van de grote takken - luieren en op je mondharmonica spelen.
O ja, deze mondharmonica had ik van Sinterklaas gekregen en de eerste liedjes, na "boer der lijt een kiep in 't water" die ik in een paar weken leerde, waren er Sinterklaas- en Kerstliedjes, compleet gespeeld met de tongslag. De overige deuntjes leerde je via de radio van onderandere de em>Three Jacksons en niet te vergeten het Hotcha Trio en De Chico's. Na heel veel sparen kon ik later een chromatisch mondorgel kopen, waar ik nu nog wel eens op speel.

We keren terug naar de Haspel en de Rijn...
Daar stonden voldoende struiken van vlierhout om een goede boog te maken voor het afschieten van rieten pijlen of voor het snijden van fluitjes. Dat laatste was niet zo'n moeilijk werkje en je kon ze rap verkopen. Je raadt het al: voor één cent. Hier komt dan ook het gezegde  "een fluitje van een cent" vandaan.
Je sneed een stukje stam, met een dikte van ongeveer een tot anderhalve centimeter, af op een lengte van ca. 15 cm. Je pulkte dan de zachte schuimachtige kern eruit (hierop kon je overigens lekker kauwen), stopte het ene eind dicht met een stukje hout en sneed het andere einde schuin af (zie tekening A). En dan blazen maar!

Wilde je een luxere uitvoering, dan boorde je er met je zakmes zes gaten gaten in en nog mooier was het, om een passend staafje hout te snijden en deze onder in de fluit te stoppen; die konje dan heen en weer schuiven. Je had zo ook fluitjes voor twee en drie cent, maar deze gezegdes hebben het naar mijn weten nooit gehaald.

Fluitje Sleutel Bout (zie tekst) 

Vlak na de terugkeer in Arnhem, na de evacuatie, kon je tussen de puinhopen, op de hellingen tussen Bovenover en Onderlangs en op De Haspel veel materiaal uit de oorlog vinden, zoals boekjes met foto's van vliegtuigen, geweerpatronen )nog gaaf in hun stalen patroonhouders/banden), patroonkisten en soms ook nog een koppelriem of een metalen bus voor proviand (van de Moffen).
Al deze waardevolle dingen kon je natuurlijk goed gebruiken, je had zelf helemaal niets en dus nam je alles mee naar huis, om aldaar of ergens anders te verstoppen. Had je voldoende kogels gevonden, dan ging je naar de Utrechtseweg, stak je de kogels tussen de tramrails en heel zachtjes drukte je dan de huls van de kogelpunt en haalde het kruit eruit. Dit stopte je in een kleine metalen sigarendoosje om het droog te houden. Er was kruit in de vorm van lange dunne staafjes en in poedervorm. Had je voldoende kruit verzameld, dan ging je op een blauwe stoep, bijvoorbeeld de stoep van kapper Diepenveen, leuke figuren maken van het kruit en stak dat dan aan. Het flikkeren en knetteren van de lopende vlam en vooral de geur van brandend kruit vergeet je je hele leven niet meer. Het was wel jammer dat de reuk ook in je kleren bleef hangen en je ouders je dan met een lange preek weer eens probeerden op andere gedachten te brengen. Maar het bleef een heel leuke bezigheid en ander speelgoed had je niet: je was in de oorlog namelijk alles kwijt geraakt.
We hadden wel ontzag voor de kogels met een blauwe-paarse of rode punt en ook voor de grotere kogels. Je wist dat deze gevaarlijk waren en je dumpte deze dan ook snel in de Rijn.

Een andere leuke bezigheid was om een bout met moer te vullen met zwavelkoppen van lucifers en de moer hierbij heel voorzichtig op de bout te draaien (tekening B). Was dat gelukt, dan gooide je de bout omhoog. Door de klap op de grond kwam de zwavel tot ontbrandig en dat ging gepaard met een luide scherpe knal. Hoe groter de bout en moer, des te zwaarder was de knal.
Bij drogist Croese kon je voor een paar centen een zakje zwavel kopen en dat was goedkoper dan lucifers. De bout en moer "leende" je van het spoor (oude verbindingsbouten van rails). Ook kon je het gat van een grote deursleutel deels vullen met zwavel en afsluiten met een passende spijker. Van deze spijker had je de punt afgevijld en met een touwtje met het blad van de sleutel verbonden (zie tekening C).
Om de explosie te bewerkstelligen, sloeg je dan met een korte forse slag de spijker tegen een boom of muur. Dit spelletje was wel gevaarlijk en toen een van de buurtgenoten uit Klingelbeek daarbij zij duim en vinger verloor, was de pret snel over.

Ondanks het verbod van de ouders om in de Rijn in te gaan, ging je wel stiekum pootje baaien en tussen de kribben duiken naar de vette klei, voor het maken van knikkers. De kwaliteit van deze klei was goed, je moest alleen zorgen dat hij niet te snel droogde en dus langere tijd een beetje vochtig houden. Samen met mijn vriendje Eefje (hij woonde in de Alexanderstraat) hebben we een grote hoeveel knikkers, poppetjes, bootjes, autootjes, naamplaatjes en vele andere voorwerpen met deze klei gemaakt. Na de droogtijd werden ze bijgewerkt en keurig beschilderd met olieverf uit afgekeurde tubes die je van meneer Foeken voor nop had gekregen. Zo hebben we vele uren doorgebracht op De Haspel en het is daar, dat bij ons de eerste basis werd gelegd voor onze technisch ontwikkeling en als maar groeiende handelsgeest.
Niet zonder trots waren wij al snel een paar handige knapen, maar daarover later meer.
De Haspel was zogegezegd een van de leukere speelplekken in de buurt. Lekker zitten op de grote stenen scheidingsmuur. Kijken naar de stoomschepen of stenen scheren over het water en natuurlijk het aloude spelletje van wie het verst kon spuugen of kon piesen.
Afwisselend zongen we liedjes en vertelde elkaar (uiteraard nette) moppen. Ken je die al van Pudding en van Gisteren ? Of van het Meisje met de rode haren????? Jammer...

Moe en voldaan keerden we vlak voor etenstijd terug naar huis. De stank van het Rijnwater of van de rook van het gestookte vuurtje ging ons meters vooruit. En vooral niet te vergeten: de stank van de stiekum gerookte sigaretjes. Van droge lindebloesem en toiletpapier kon je fijn je eigen saffie maken. Verried je adem niet de stank van die sigaretten, dan waren het wel de verschroeide wenkbrauwen die argwaan opriepen. Vooral al je weer eens te hard aan zo'n sigaret had getrokken en de ontstane steekvlam naast je haren ook wel eens je keel bereikte. Naast de kruitdampen kreeg ook dit "verrukkelijke aroma" een plekje in je geheugen.

Had je zin in voetballen of had je trek in een appeltje (voor de dorst), dan kon je goed terecht op het terrein naast het ziekenhuis. Daar was bij het oude koetshuis een kleine rijkgevulde boomgaard, maar daar was ook vaak een bazige tuinman in de buurt. Gelukkig was je vlugger en kon je aan zijn grote handen ontsnappen. Naast de puinhoop van de door de oorlog verwoeste villa naast het ziekenhuis was een schuilkelder en een kleine zandvlakte met twee stel doelpalen. Plek genoeg voor spel en kattekwaad.
Een ander speelplek was de speeltuin "De Rotsblokken" aan het begin van Mariëndaal. Deze speeltuin met een grote glijbaan, schommels en ander speeltuig kon je bereiken vanaf de Heijenoordse en Diependalseweg en lag geheel ingesloten door fors struikgewas. Was je lui dan stak je bij het einde van de Zuidelijke Parallelweg het spoor over en via het transformatorstation kwam je veel sneller bij de Rotsblokken. De daar aanwezige grote glijbaan kwam uit op een zandvlakte, vlak bij de spoorlijn.

Transformatorstation anno 2008De weg naar Klein-Zwitserland ca. 1910 
Foto's: Huidig transformatorstation van de NS en de weg naar Klein-Zwitserland

Op een bord stond aangegeven wanneer je bij de Rotsblokken mocht spelen en daar werd wel vaak op gelet. Was je uitgespeeld, dan kon je nog altijd even verderop gaan zitten, op het bordes van het transformatorstation of op het stootjuk. Je nam dan gelijk de moeite om leuke en bruikbare dingen te verzamelen. Het klimmen over het hek was voor ons uiteraard geen bezwaar.
Vanaf de speeltuin kon je eenvoudig de boskoepel bereiken en fijn spelen en hutten bouwen in het pas aangelegde dennenbos. Je ging daar vaak heen om oude spulletjes tussen het gestorte puin te zoeken (ik wist precies wat er waar lag, zie het eerder geschreven oorlogsverhaal). Alles kon je gebruiken, misschien niet direct, maar dan toch zeker later wel.
Liep je de weg weer terug naar het doorgaande pad, dan passerde je een gote hoogspanningsmast. Het kon dan ook niet uitblijven om er in te klimmen. Hoogtevrees en angst voor de stroomvoerende geleiders kende je niet. Zo hoog mogelijk voor het fantastische uitzicht en de kick. Riep van je torenhoge positie naar passerende wandelaars, dan keken deze verbaasd om zich heen. Kregen ze je in de smiezen, dan kreeg je steevast het advies om naar beneden te komen en er niet uit te vallen. Nu dat wisten we zelf ook wel.

Naast de doorgaande weg kon je ook boven op het taluut en de spoortunnel komen, via een klein pad, een slingerpaadje tussen de struiken door. Je keek dan vanaf een vrij grote hoogte neer op de spoorbaan, met de vele passerende stoomtreinen. Niet alleen bramen en frambozen bloeiden daar in overvloed, maar ook de liefde. Je moest uitkijken dat je niet boven op een verliefd stelletje trapte, of hen in een aangenaamd verpozen stoorde.

Vijver MariendaalBij de poort aangekomen, kon je kiezen tussen rechtsaf langs de beek naar de vijver Klein-Zwitserland en de Groene Bedstee, of linksaf onder de poort door naar de kleine vijver. Deze vijver lag wel tegenover de woning van de boswachter, maar gelukkig redelijk uit het zicht.
Hier was het fijn spelen met je zelfgemaakte bootjes en bij warm weer ging je zelfs een beetje zwemmen of spartelen tussen het kroos en de in de vijver gedumpte troep.
Op een bord stond vermeld "Verboden het gras te betreden of zich in het water te begeven", maar uiteraard gold dat bord niet voor ons, wij wisten toch niet wat "Artikel van Wetboek enz…" betekende. Dat was bedoeld voor volwassenen en niet voor ons.
Een leuke bezigheid was om onder de spoorbaan door te kruipen, naar de vijver. Daar liep een afwateringstunnel van de beek naar de vijver. Niks eng, alleen de vele muggen. Je moest sterk voorovergebogen lopen, in het koude water door de kille donkere tunnel naar de vijver of omgekeerd. Was er gevaar, dan keerde je spoorslags terug, om snel in het bos te verdwijnen. Het water was door het stromen door een bedding van zand en grind behoorlijk helder en we dronken er vrolijk van zonder ons te bekommeren over mogelijke ziekten. Dorst is altijd een kwelling. Was het erg warm, dan was het lekker koel in deze onderdoorgang. Had je geen zwembroek bij je, dan hield je gewoon je onderbroek aan of om deze niet nat te laten worden legde je hem netjes bij de rest van je kloffie. Waren er echter meisjes in de buurt dan betekende dat een tweede kwelling, ofschoon... we waren in die tijd niet zo preuts. Maar de meisjes wel en giegelen dat ze dan deden...

Aan het einde van de vijver was een kleine waterval, het eindpunt voor onze bootjes. Vandaar stroomde het water via een onderdoorgang in de Utrechtseweg naar de Rosandapolder om uiteindelijk in de Rijn uit te komen. In het voorjaar was het tijd om dikkopjes te vangen en deze in wekflessen mee te nemen naar huis. Daar deden we de overlevende dikkopjes met vers water uit de kraan in een iets grotere kom. Dit tot ergernis van je moeder.
En wij maar wachten tot er een klein kikkertje te voorschijn kwam, hetgeen natuurlijk nooit gebeurde: de arme dikkopjes gingen te vroeg dood.
Later ging je met je zelfgemaakte schepnet in de vijver op zoek naar stekelbaarsjes en kikkertjes. Soms vond mijn moeder een dode kikker in mijn broekzak en dan werd ze verschrikkelijk boos. Volgens mij is er in deze vijver nog nooit een grote vis gevangen.

Seinwachtershuisje MariendaalNa het spelen liep je langs de andere kant van de spoorbaan weer naar huis. Ook hier liep  een slingerpaadje parallel aan de smalle weg, tot aan de spoorbrug over de spoorlijn naar Oosterbeek Laag. Dit slingerpaadje was een stuk korter dan het paadje aan de andere kant, minder begroeid en dus een stuk saaier, als je begrijpt wat ik bedoel.
Via de spoorbrug liep je dan omhoog via de Zuidelijke Parallelweg en de Wilhelminastraat weer naar beneden naar huis.

ColoradokeverOoit hebben we in het bos zelfs geld verdiend. Bij het seinwachtershuisje lag een stuk landbouwgrond waarop soms aardappelen werden verbouwd. Op een warme voorjaarsdag had de boer op zijn veldje bezoek gekregen een grote hoeveelheid coloradokevers. Deze beestje lijken op onzelieveheersbeestjes, maar zijn oranje-geel kleurig met strepen. Door hun grote aantallen zien deze beestje kans om binnen een mum van tijd alle planten aan te vreten. Voor elk gevangen levende kever kregen wij een halve cent en als je beetje geluk had, had je op een middag zo een halve jampot; dat was al gauw een paar piek. Wij natuurlijk blij met zoveel geld en de boer bleef met een schoon veld, voor zo weinig geld. Het jaar daarop was er geen kever meer te bekennen en bleek deze opdracht eenmalig te zijn.

Was niet zo'n goed weer om in het bos te spelen, of moest je in de buurt blijven, dan was je aangewezen op de speeltuin in de Alexanderstraat. Maar daar ging je alleen heen als er ook grieten waren om mee te spelen of om te pesten. Favoriet waren de beide grote schommelbakken waarin je met een stelletje kon zitten. De grietjes vonden het wel erg eng en gingen dan op de bodem zitten, vooral als je erg hoog ging en de touwen wat slapjes werden. Nee, grote ongelukken zijn hiermee nooit gebeurd, hooguit dat je wat misselijk werd. Kilo's zand heb ik met mijn schoenen en in mijn broekzakken verplaatst uit de zandbak naar de straat en naar huis. Was het rustig in de speeltuin, dan kon je in de zandbak gerust mooie kastelen bouwen. Later, toen je weer en paar jaar ouder en wijzer was geworden verwisselde je het bouwen van kastelen af met het spelen van "doktertje".

Tamme kastanjeEen andere speelplek was het bos van Beusker op Heijenoord met de kapel en het koetshuis (zie verhaal "na de evacuatie"). In dat bos stonden reusachtige tamme-kastanjebomen waarin je fijn kon knuppelen met zware stokken, of liever nog met oude traproeden of ijzeren staven. Jammer was dat onder deze bomen het wandelpad lag, je moest dan goed uitkijken dat je niemand kon raken.
Er was altijd paniek als een stang of knuppel in de boom bleef hangen. Je was dan wel verplicht om in de boom te klimmen. Niet dat dit zo'n bezwaar was, maar je moest uitkijken voor een juut en goed opletten op het afbreken van de takken. Een dergelijke klimpartij zou een jonge Heijenoorder nog noodlottig worden, hij viel op een onder de bomen staand hekwerk.
Ook de naburige boomgaarden konden steevast op ons bezoek rekenen. Op een zondagochtend verliet ik wat eerder dan was toegstaan de H. Hartkerk om onderweg een bezoekje te brengen aan zo'n mooie "fruitkamer". Ik hoefde niet bang te zijn voor de eigenaar, want deze zat nog hoog en droog in diezelfde kerk te bidden. Ik nam dan ook de tijd om op mijn gemak om de mooiste appeltjes uit te zoeken en vergat hierbij de tijd. Plotseling dook de boer op en begon tegen me te schreeuwen, hij zou me g... dit en hij zou me g... dat. En die kwam net uit de kerk, de hypocriet.
Geschrokken sprong ik uit de boom, maar had pech, want mijn ene schoen bleef steken en bleef dus in de boom achter. Uren later ben ik op uitdrukkelijk vezoek van mijn vader terug gegaan om de het paar weer compleet te krijgen. Nooit heb ik de boerderij en zeker de boer meer van dichtbij aanschouwd.

Als het goed weer was en je mocht een uurtje langer op blijven, dan kon je soms genieten van de samenzang van een groepje iets oudere buurtgenoten. Onder aanvoering van Ferrie van Veenendaal, die goed kon spelen op zijn gitaar en ukelele, zongen de jongens het ene cowboylied na het andere. Ferry was begenadigd met een mooie warme stem, uitstekend geschikt om de toen in zwang zijnde cowboyliedjes te zingen: Raid'm cowboy, raid'm paard en 's avonds als het kampvuur brand. Ook de deuntjes van Eddy Christiani en Max van Praag stonden steevast op het repertoire.
Deze happenings vonden meestal plaats voor de bakkerij Hermsen. En juist daar boven woonde ik. Als ik niet naar buiten mocht, dan zat ik in de erker toch minstens op de eerste rang. Soms mochten mijn vriend Teetje en ik op de mondharmonica's meespelen. Ook mijn oudere broer probeerde met zijn ukele mee te spelen, maar dat viel lang niet mee. Het Koel helder water werd door Ferry afgewisseld met een jodelaria van De roep van de bergen ala de stijl van Olga Lowina. Deze optredens waren een lust voor het oor en hebben veel bijgedragen aan de onderlinge verstandhouding tussen de buurtgenoten. Helaas heeft zich nooit een echt bandje gevormd, ondanks dat alle ingredienten aanwezig waren. Na verloop van tijd verdwenen enkele vrienden uit de buurt en was het gedaan met de pret, wel is deze "hangplek" nog lang in gebruik gebleven bij de toenmalige "hangjongeren" (voorheen "zangjongeren").

 
 

Lombokse Plaatjes

Bestrijd spam klik hier

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen functioneren en om je bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Om je te kunnen aanmelden zijn een tweetal cookies nu al geplaatst; deze bevatten geen persoonlijke informatie. Als je doorgaat met je bezoek aan deze site, kunnen er andere cookies geplaatst worden. Om cookies te verwijderen en uit te schakelen, zie de handleiding van je browser. Voor meer informatie over de cookies die we gebruiken en over hoe wij met persoonsgegevens omgaan, lees onze Privacyverklaring.

Verwijder deze mededeling door cookies van deze site te accepteren.